Gepubliceerd: DATE_FORMAT_LC5
Naar verwachting zal de Eerste Kamer al volgende week beginnen met de voorbereiding van de behandeling van de Wet Normering Topinkomens. Zoals bekend heeft de Tweede Kamer op 6 december 2011 bij amendement de Beloningscode Bestuurders in de Zorg (BBZ) geplaatst in categorie 1 (beloningsmaximum). NVTZ en NVZD hebben hierin aanleiding gezien ons nu tot de Eerste Kamer te richten. U treft daartoe bijgaand de brief met bijlage aan die wij eind vorige week aan de commissie van Binnenlandse Zaken verzonden.
Zowel NVTZ als NVZD zijn thans druk doende Eerste Kamerleden te benaderen voor het geven van een toelichting op onze standpunten.
Kamer der Staten-Generaal
Commissie BZK/AZ
Postbus 20017
2500 EA Den Haag
Betreft: Wet Normering Topinkomens (32600) en de sector zorg
Datum: 13 januari 2012
Geachte commissieleden,
Wij wenden ons tot u daar wij verbaasd en teleurgesteld zijn over het besluit van de Tweede Kamer om de zorgsector alsnog onder het regime van het wettelijk maximum te brengen en niet zoals voorzien onder het regime van de sectorale bezoldigingsnorm. Onze bezwaren betreffen niet de wens tot matiging van de topinkomens. Die wens delen wij volledig, zoals wij ook steeds naar voren hebben gebracht en blijkt uit de gezamenlijke vaststelling van een beloningscode voor bestuurders in de zorg.
De Vereniging van Toezichthouders in de Zorg (NVTZ) en de Vereniging van Bestuurders in de gezondheidszorg (NVZD), in overleg met het ministerie, hebben hun maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen door gezamenlijk een Beloningscode voor Bestuurders in de Zorg (BBZ) op te stellen, waarin een salarissysteem en maxima voor de bezoldiging zijn opgenomen. Daarmee is een compleet, evenwichtig en gelaagd systeem voor de bezoldiging van topbestuurders in de zorgsector gecreëerd.
Hierbij dient aangetekend te worden dat het maximum van de hoogste schaal van de code in lijn is met het wettelijk maximum. De code kent daarnaast de mogelijkheid van een toeslag. Daarmee is de mogelijkheid geschapen om ook hele grote en de meest complexe zorginstellingen, waaronder de academische ziekenhuizen, onder de code te kunnen brengen.
De BBZ is op 1 september 2009 in werking getreden. Uit verschillende onderzoeken naar de mate waarin bij nieuwe contracten de code wordt toegepast blijkt dat de code werkt. Ook op reeds bestaande contracten heeft de BBZ een matigende werking. De laatste gegevens van VWS geven eenzelfde beeld. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat VWS een toeslag van meer dan 15% als boven de norm heeft aangewezen, terwijl de BBZ een maximum toeslag van 30% kent. In alle onderzoeken zien we slechts een beperkt aantal overschrijdingen.
Het invoeren van een sectorale beloningscode voor de zorg door beide verenigingen sluit aan bij het beleid van de minister in deze, waarbij in navolging van het advies van de commissie-Dijkstal op grond van zorgvuldige afwegingen voor de zorg het regime van de sectorale bezoldigingsnorm als het meest aangewezen regime is vastgesteld.
Zwaarwegende argumenten hierbij zijn dat binnen de semipublieke sector de zorg zich op de grootste afstand van de publieke sector bevindt en zich geheel in lijn met het beleid van de minister steeds meer in de richting van de private sector beweegt.
Ondanks het feit dat wij bovenstaande argumenten en feiten herhaaldelijk onder de aandacht van de Tweede Kamer hebben gebracht met het expliciete verzoek tot overleg hierover, zijn wij nooit uitgenodigd voor een gesprek, hetgeen naar onze mening op gespannen voet staat met de zorgvuldigheid die bij de totstandkoming van een dergelijke wet in acht zou moeten worden genomen.
Wij richten ons nu tot de Eerste Kamer omdat er, naast de hierboven al genoemde inhoudelijke en beleidsmatige argumenten, ons inziens ook zwaarwegende juridische bezwaren zijn tegen de thans voorliggende WNT, waarin de zorgsector onder het eerste regime is gebracht. Ook minister Donner heeft hierop reeds gewezen in zijn antwoorden aan de Tweede Kamer.
Er zijn belangrijke argumenten waarom het onderbrengen van de zorgsector onder het wettelijk maximum in strijd lijkt te zijn met internationale en Europese verdragen. Deze argumenten spelen in beginsel niet bij het brengen van de BBZ als sectorale beloningscode onder het tweede regime van de WNT.
Met name het gegeven dat met de wet zoals die er nu ligt geen wezenlijke verdere bijdrage wordt geleverd aan het te bereiken algemeen belang, is in strijd met het proportionaliteitsvereiste van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag van de Rechten van de Mens.
Het te bereiken algemeen belang, matiging van de topinkomens in de semipublieke sector, is aantoonbaar bereikt met de sectorale beloningscode.
Wij hebben er begrip voor dat u ten aanzien van dit wetsontwerp opereert in een politiek en maatschappelijk gevoelige context. Wij denken echter dat de juridische argumenten tegen de huidige wet zo wezenlijk zijn, dat wij dit aan u willen melden en u willen waarschuwen voor de problemen die dit op Europees rechtelijk gebied vrijwel zeker zal gaan geven. Wij adviseren u de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden.
Wij zouden het dan ook op prijs stellen met u hierover een nader overleg te hebben.
Als bijlage sturen wij u een uitgebreide notitie met daarachter een aantal bijlagen met relevante achtergrondinformatie.
Nederlandse Vereniging van Nederlandse Vereniging van
Toezichthouders in de Zorg bestuurders in de gezondheidszorg
Marian A.J. Jager-Wöltgens Ruud M. Lapré
voorzitter voorzitter
Notitie over de Beloningscode voor Bestuurders in de Zorg en de juridische onhoudbaarheid van de Wet Normering Topinkomens
Deze notititie is gezamenlijk opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Bestuurders in de Gezondheidszorg (NVZD) en de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in de Zorg (NVTZ) met het oog op de behandeling van de Wet Normering Topinkomens (WNT) in de Eerste Kamer.
De WNT in haar huidige vorm is in strijd met verschillende internationaal en Europees-rechtelijke beginselen. Om die reden roepen NVTZ en NVZD de Eerste Kamer op de wet tenminste aan te houden.
Hoe en waarom is de BBZ opgesteld?
Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst kwam in 2006 met een voorstel voor een beloningssysteem waarin sectoren hun eigen code hanteren. De NVTZ en NVZD hebben daarop gezamenlijk de Beloningscode voor Bestuurders in de Zorg (BBZ) opgesteld. De BBZ is opgesteld op basis van de uitgangspunten van de commissie Dijkstal, die in september 2007 het rapport Normen en Waarden over de beloning van topbestuurders in de semipublieke sector en de verantwoording hierover presenteerde.
De BBZ is op 1 september 2009 in werking getreden.
Wat houdt de BBZ in?
De BBZ is een integraal pakket arbeidsvoorwaarden bestaande uit een functiezwaarte -systematiek, salarisschalen en primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Daarnaast bevat de code uitvoeringsprocedures waaronder een reglement van de onafhankelijke Toetsingscommissie en een model arbeidsovereenkomst.
Is de BBZ maatschappelijk actueel?
Met het opstellen van de BBZ hebben NVTZ en NVZD hun maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen inzake de landelijke discussie over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van beloningen. De salarisschalen zijn zo opgebouwd dat de schaal afhankelijk is van complexiteit, impact en omvang van de instelling.
Het maximum van de hoogste schaal van de code ligt in lijn met het wettelijk maximum. De code kent daarnaast de mogelijkheid van een toeslag voor omgeving- en risicofactoren. Daarmee is met name de mogelijkheid geschapen om ook hele grote en de meest complexe zorginstellingen, waaronder de academische ziekenhuizen, onder de code te kunnen brengen.
|
|
MIN (70%) 2011 |
MAX 2011 |
Met toeslag 30% |
|
A |
51,536 |
73,622 |
95,709 |
|
B |
59,157 |
84,510 |
109,863 |
|
C |
67,940 |
96,522 |
125,479 |
|
D |
78,028 |
111,469 |
144,910 |
|
E |
89,642 |
128,059 |
166,477 |
|
F |
102,737 |
146,725 |
190,743 |
|
G |
113,595 |
162,278 |
210,961 |
|
H |
122,666 |
175,240 |
227,812 |
|
I |
131,378 |
187,684 |
243,989 |
|
J |
138,999 |
197,015 |
256,120 |
Hoe verhoudt de BBZ zich tot andere (salaris-)regelingen?
Wat is de relatie van de BBZ met de zogenaamde Balkenende norm?
In de media is veel aandacht voor beloningen van bestuurders in de zorg ten opzichte van de zogenaamde Balkenende norm. Het salarisgebouw sluit aan bij het gemiddelde ministersalaris. In de code is een gelaagd systeem voor salarisbepaling opgenomen, waarbij voor omgeving- en risicofactoren de mogelijkheid bestaat van een toeslag tot maximaal 30% boven de schaal. Circa 83% van alle bestuurders in de zorg ontvangt een beloning op of onder de Balkenende norm.
Voor wie geldt de BBZ?
De BBZ geldt voor statutaire bestuurders van zorginstellingen die functioneren in het kader van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) en waarop de kwaliteitswet Zorginstellingen van toepassing is. De BBZ is bindend voor de leden van NVZD (de bestuurders/werknemers) en de NVTZ (de toezichthouders/werkgevers). De NVZD vertegenwoordigt circa 75% van alle zorgbestuurders in Nederland. Bij de NVTZ zijn ruim 80% van de zorginstellingen (exclusief de ZBC’s) aangesloten.
Is de BBZ transparant?
Raden van Toezicht kunnen binnen de gegeven referentiescores en binnen de bandbreedte van de beloningsschalen met de maximale normen afwegingen maken. Afwijking daarvan is niet toegestaan. Indien een Raad van Toezicht toch wil afwijken van de gegeven maxima dient zij daartoe een gemotiveerde vraag voor te leggen aan de Toetsingscommissie, die een bindend advies geeft. Bovendien dient de beloning van de Raad van Bestuur gepubliceerd te worden in het jaarverslag en heeft de Raad van Toezicht de plicht eventueel toegekende toeslagen te verantwoorden.
Hoe wordt de BBZ gehandhaafd en getoetst?
De Toetsingscommissie Beloningscode Bestuurders in de Zorg is een onafhankelijke commissie die door NVZD en NVTZ gezamenlijk is ingesteld om verzoeken van Raden van Toezicht om af te wijken van de kaders van de BBZ te beoordelen en van een bindend advies te voorzien. De commissie beoordeelt of een Raad van Toezicht in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en kan bovendien aanbevelingen doen over de naleving van de BBZ.
Daarnaast is er een Monitorcommissie ingesteld. De taak van deze commissie is om, naast de toepassing van de BBZ in het algemeen, alle toeslagen, die binnen de normen van de BBZ worden toegekend, te monitoren, te evalueren en daarover aan de besturen van de beide verenigingen te rapporteren.
Werkt de BBZ?
In het voorjaar van 2011 hebben de NVTZ en de NVZD een enquête onder hun leden gehouden om te bezien hoe de salarissen van zorgbestuurders zich thans verhouden tot de BBZ en of de BBZ daadwerkelijk wordt toegepast. Daarbij is onder meer gevraagd of er boven of onder de Balkenende norm wordt beloond en hoe de toeslagruimte van 30% wordt gehanteerd.
Uit de resultaten komt naar voren dat de overgrote meerderheid van de bestuurders in de zorg een beloning ontvangt die onder de Balkenende norm ligt. Uit de enquête komt verder naar voren dat ‘nieuwe’ arbeidsovereenkomsten -afgesloten na de ingangsdatum van de BBZ d.d. 1 september 2009- de BBZ in nagenoeg alle gevallen volgen. In iets meer dan 40% van deze arbeidsovereenkomsten wordt gebruik gemaakt van de extra beloningsruimte die de toeslag biedt. Indien er een toeslag wordt gegeven dan komt een toeslag tussen de 10 en 20% het meeste voor.
Een recente inventarisatie (december 2011) uitgevoerd door de Monitorcommissie op basis van gegevens uit de jaarverslagen 2010 van het ministerie van VWS, laat zien:
1. hoeveel bestuurders per sector in 2010 een beloning ontvingen binnen het maximum van de salarisschalen van de BBZ
2. hoeveel bestuurders een opslag hadden en tot welk percentage (uitgesplitst naar 0-10, 10-20, 20-30%)
3. hoeveel bestuurders boven de BBZ-maxima uitkwamen.
|
1099 contracten |
|
|
waarvan |
958 oud |
|
Waarvan |
132 boven norm (13,8%) |
|
826 onder norm (86,2%) |
|
|
141 nieuw |
|
|
Waarvan |
6 boven norm (4,3%) |
|
135 onder norm (95,7%) |
|
961 onder norm |
|
|
waarvan |
541 toeslag tot 30% |
|
Waarvan |
213 tussen 0 en 10% |
|
210 tussen 10 en 20% |
|
|
118 tussen 20 en 30% |
De gegevens geijkt
De rapportage van het ministerie van VWS van de inkomens van bestuurders van zorginstellingen uit de jaarverslagen 2010 (23 december 2011) bevestigt de eigen analyses.
|
Ziekenhuiszorg |
GGZ |
Gehandicaptenzorg |
Verpleging, Verzorging en Thuiszorg |
Totaal |
|
|
Onder de norm |
45% |
88% |
89% |
95% |
83% |
|
Boven de norm |
55% |
12% |
11% |
5% |
17% |
|
Totaal |
100% |
100% |
100% |
100% |
100% |
In 2009 was nog 19% van de jaarsalarissen van zorgbestuurders boven de norm, in 2010 is dit afgenomen naar 17%. Verder blijkt uit de rapportage dat het gemiddelde jaarloon van alle zorgbestuurders in 2010 135.000 euro is.
De WNT is in haar huidige vorm een ondeugdelijke wet
De activiteiten van zorginstellingen en private ondernemingen worden betaald uit de geldstroom van verzekeraars. Bij de WNT is een driedeling gemaakt: regime 1 geldt voor publieke instellingen, regime 2 voor private instellingen met een publieke taak en regime 3 voor de overige marktsectoren. Gezien de marktwerking in de zorg zou regime 3 (openbaarmaking) geëigend zijn. Vervolgens zou de zorg tenminste een eigen beloningscode moeten kunnen vaststellen, zoals met de totstandkoming van de BBZ is gebeurd.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) schrijft op 6 december 2011 in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer (32 600 nr. 44): "Het onderbrengen van de zorg in regime 1 zou inconsequent zijn ten opzichte van de consistente lijn die tot nu toe in afstemming met de Tweede Kamer en met het veld is overeengekomen. In september en november 2009 heeft de Kamer in twee uitgebreide AO’s gesproken over welke sector in welk regime zou moeten worden ondergebracht. De Kamer heeft toen in meerderheid uitgesproken dat de zorg in het tweede regime thuis hoort. Het onderbrengen van de zorgsector in het tweede regime sluit ook goed aan bij de afwegingen van de commissie Dijkstal en het VWS beleid van maatwerk naar functiezwaartes en salarisgebouw." De minister voegt daaraan toe: "Het goed naleven van de code wekt vertrouwen. Het geeft mij alle reden om de sector een kans te geven."
Niet gehoord
NVTZ en NVZD betreuren zeer dat de beide verenigingen in de aanloop naar de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer geen gelegenheid is gegeven om hun zienswijze op het wetsvoorstel in relatie tot de vigerende BBZ toe te lichten, ondanks meerdere verzoeken daartoe. Wij zijn van mening dat dit niet in overeenstemming is met de vereiste zorgvuldigheid bij de totstandkoming van een voor de arbeidsvoorwaarden van bestuurders in de zorg zo’n ingrijpende wet als de WNT.
Raad van State
De Raad van State zet in zijn advies bij de WNT vraagtekens bij de noodzaak van de WNT in het algemeen, zoals blijkt uit de hieronder geciteerde conclusie (Advies Raad van State, 27 augustus 2010). De Raad vindt de motivering daarvoor onvoldoende:
"De Raad onderschrijft ten volle, ook gelet op het maatschappelijke debat dienaangaande, het aan het wetsvoorstel ten grondslag liggende uitgangspunt dat de bezoldiging van topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector gematigd dient te zijn, en dat excessen moeten worden tegengegaan. Financiering uit publieke middelen vormt naar het oordeel van de Raad de rechtvaardiging voor normering door de wetgever. De Raad is in het licht van het bovenstaande echter nog niet overtuigd van de noodzaak van de concretisering van dit algemene uitgangspunt dat in dit voorstel is opgenomen. Uit de evaluatie van de Wopt komt naar voren dat de Wopt goed lijkt te werken en dat de bezoldiging van topfunctionarissen zich in het algemeen niet excessief ontwikkeld.
Uitbreiding van de reikwijdte van de Wopt zou aangewezen kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat is gebleken, dat de problemen met de bezoldiging van topfunctionarissen groter zijn in sectoren die niet onder de Wopt vallen en wettelijke normering of verplichte transparantie gerechtvaardigd is. Dit dient echter uit de toelichting te blijken. Verder blijken ook in sectoren waar de overheid (thans) geen directe invloed kan uitoefenen, vormen van zelfregulering in de vorm van beloningscodes tot stand te komen. De toelichting maakt onvoldoende inzichtelijk waarom tegen de achtergrond van het bovenstaande, het voorstel noodzakelijk is."
Juridische onhoudbaarheid zorgsector in regime 1
Begin 2011 hebben de NVTZ en de NVZD in de motie Wolbert van november 2010 en het amendement Van Raak van 21 februari 2011 aanleiding gezien onderzoek te laten doen naar de juridische houdbaarheid van het (oorspronkelijke) wetsvoorstel WNT en voornoemde aanpassingen. De voornaamste conclusie uit dit onderzoek luidt dat de voorgestelde aanpassingen van de WNT – die de bezoldiging van inkomens van topfunctionarissen bij zorginstellingen die verzekerde zorg aanbieden maximeren op de zogenoemde Balkenende norm – op juridische bezwaren stuiten. Op 6 december 2011 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel WNT aangenomen met het amendement Gerbrands en Brinkman waarbij zorginstellingen inderdaad onder het zwaarste bezoldigingsregime (Balkenende norm) worden gebracht. Gegeven dat zorginstellingen – ondanks hun publieke taak – private rechtspersonen zijn en zich daarmee onderscheiden van publieke instellingen of instellingen die daaraan nauw verbonden zijn, stellen de NVTZ en de NVZD dat een dergelijke beperking van de bezoldiging van topfunctionarissen bij een zorginstelling in strijd is met internationaal en Europees recht, waaronder het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van vakvereniging. De NVTZ en de NVZD achten de wet om die reden juridisch niet houdbaar en verzoeken de Eerste Kamer de wet om die reden aan te houden. Daarbij wordt opgemerkt dat niet wordt betwist dat enige regulering in de bezoldiging van topinkomens (zoals neergelegd in het oorspronkelijke wetsvoorstel) gerechtvaardigd is, juist vanwege de publieke taak die zorginstellingen vervullen. De mogelijkheid tot regulering is echter niet onbegrensd. De NVTZ en de NVZD lichten dat hieronder kort toe. Voor een uitgebreide onderbouwing verwijzen wij naar bijlage 5.
Het eigendomsrecht – dat is vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) – beschermt de vrijheid van rechtspersonen om te kunnen beschikken over de eigen financiële middelen. Dat recht kan uitsluitend worden beperkt ten dienste van het algemeen belang met inbegrip van onder meer het proportionaliteitsvereiste. Bij de beperking van dit recht zal aldus gekozen moeten worden voor de minst ingrijpende maatregel. Zoals gezegd lijkt de publieke taak van zorginstellingen een beperking van de bezoldiging van hun topfunctionarissen te rechtvaardigen. In het definitieve wetsvoorstel wordt de bezoldiging echter vastgesteld ter hoogte van de Balkenende norm waarbij de minister Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bovendien de mogelijkheid heeft de bezoldiging bij instellingen ook lager dan deze norm vast te stellen. Met het huidige voorstel wordt duidelijk niet gekozen voor de minst ingrijpende bezoldigingsmaatregel waarin zij voorziet.
De minder vergaande, sectorale bezoldigingsnorm – waarbij de beloningscode als uitgangspunt kan dienen – komt in voldoende mate tegemoet aan het maatschappelijk belang dat met de beperking van het eigendomsrecht is gediend. Daarenboven is uit onderzoek gebleken dat de beloningscode in de praktijk bijna volledig wordt nageleefd, zodat ook geen aanleiding bestaat aan te nemen dat dit bezoldigingsregime niet zou werken. In het huidige wetsvoorstel worden zorginstellingen aldus strenger gereguleerd dan strikt noodzakelijk.
Bovendien lijkt het wetsvoorstel in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EVRM. Dat blijkt allereerst uit het feit dat zorginstellingen als private rechtspersonen gelijk worden gesteld aan publieke instellingen of daar nauw aan verbonden en/of gesubsidieerde instellingen. Daarnaast worden niet alle private rechtspersonen belast met een publieke taak (onder het strengste regime) gereguleerd. Het wetsvoorstel lijkt aldus te zijn ingericht volgens willekeur.
Tot slot wordt door het huidige wetsvoorstel topfunctionarissen bij zorginstellingen het recht tot collectief onderhandelen en de vrijheid van vakvereniging ontnomen. De door de minister vooraf vastgestelde maximale bezoldigingsnorm biedt immers geen ruimte voor collectieve inspraak voor topfunctionarissen bij private zorginstellingen hetgeen in strijd lijkt te zijn met de artikelen 11 EVRM en 12 van het EU-handvest.
Op grond van bovenstaande leiden de NVTZ en NVZD af dat de WNT in haar huidige vorm in strijd is met verschillende internationaal en Europees rechtelijke beginselen, zodat zij de Eerste Kamer oproepen de wet aan te houden totdat deze strijdigheden zijn hersteld.
Opdrijvend effect WNT in de huidige vorm ten opzichte van BBZ
Als de WNT in de huidige vorm tot wet wordt verheven verliest de BBZ in essentie zijn betekenis. Dit zal in de praktijk leiden tot een opdrijvend effect. Daarmee wordt het tegenovergestelde bereikt dan met de BBZ is beoogd.
Bijlagen op verzoek:
1. BBZ versie augustus 2009
2. Speciale uitgave BBZ versie juli 2010
3. Brief NVTZ-NVZD richting Tweede Kamer: 19 september 2011
4. Brief NVTZ-NVZD richting minister VWS: 19 mei 2011
5. Mr. MTH De Gaay Fortman en MC Aarts, Advies juridische houdbaarheid van aanpassingen wetsvoorstel WNT, 9 mei 2011
6. Brief van de minister van VWS aan de Tweede Kamer, 7 november 2011
7. Brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer, 6 december 2011
8. VWS - Rapportage inkomensgegevens van bestuurders van zorginstellingen uit de jaarverslagen-2010, 23 december 2011
9. Artikel voorzitters NVTZ-NVZD, 21 november 2011
